Terwijl de temperatuur op deze zonnige zomerdag alweer richting de 30 graden schiet, heb ik een gezellig gesprek in mijn auto met Parisa en Zahra* uit Syrie. Ze wonen inmiddels twee jaar in mijn buurt. Ik gaf hun moeder een tijdje fietsles. We zijn op weg naar een pluktuin. Dit uitje is een van de weinige dingen die ze doen tijdens hun (te) lange zomervakantie.
Zahra vertelt dat ze graag kookt, en dan -uiteraard- Arabisch. Ik vraag of ik haar kan inhuren. Arabisch eten is zó lekker! Dat inhuren wil ze niet. Beter kom ik met mijn gezin gewoon bij haar thuis vertelt ze, voor een Arabische maaltijd. Zahra moet nog een jaar naar de middelbare, en wil daarna starten op het MBO. Ze wil tandartsassistente worden, vertelt ze. Een jonge meid met mooie plannen.
Ik hoor een luide schater achter me. Ik zie in mijn spiegel dat Febe dikke lol heeft met Parisa. Echt, baby’s zijn fantastisch! Febe maakt harde harten zacht, overbrugt complete taalbarrières én brengt vrolijkheid en leven waar verdriet is. Het is vaak een wedstrijdje bij wie ze op schoot mag zitten en met wie ze op de foto mag.
Al rijdend raast er ineens een bordje aan me voorbij: GEENAZC.NL. Ik slik even, en voel iets in mijn buik. Ik bekijk de zusjes vluchtig. Zouden ze het gezien hebben? Vast niet. Ach, en wat zal het ze zeggen, die letters… Ze weten het inmiddels wel, dat de meeste mensen ze hier liever zien gaan dan komen. Het is zo’n moment waarop ik de afwijzing ineens in eigen persoon ervaar: dit uitje met deze gezellige zussen, hun gezin, familie: het mag er helemaal niet zijn. Ze moeten hier weg. Waarom? Gewoon. Oorlogsvluchtelingen? Geen excuus. Dit, is óns domein.
De afwijzing en het ongemak tegen vluchtelingen zit overal. Niet in bordjes, wel in mensen. Ook in mijzelf, als ik ergens met deze mensen binnenloop. Ik voel me ongemakkelijk worden. Ik ontmoet ditzelfde ongemak bij de mensen om me heen. De blikken, het stil vallen, of toch maar gewoon uit de buurt blijven. Het is wat het is. Vandaag werd ik er even stil en verdrietig van.
We zijn bijna aan het einde van onze autorit. Er komt een woord in me op.
G-E-N-A-D-E.
Iets krijgen, wat ik niet verdien. Ik ontving het, op Golgotha. Jezus. Onverdiend. En: ik heb een keuze. Ik doe daar niks mee, óf ik geef het door. Ik geef Hem door.
Zullen we samen bordjes met genadeloze afwijzing negeren en genade, deze Jezus, gaan doorgeven? Júíst wanneer ik mijn ongemak voel? Gewoon gaan doorgeven. Jij aan die lastige collega, of die niet zo fijne buurman. Of misschien die vluchteling, waar je tot nu toe met een boog omheen liep. Meestal is het beter om niet weg te lopen van ongemak, maar er juist doorheen te gaan. Vroeg of laat gaat het je leven verrijken. En daarbij: het dient een Hoger doel.
Vanochtend zongen we op kantoor psalm 22:14. Wat sluiten deze woorden mooi aan op het doel van genade delen:
Eerlang gedenkt hieraan het wereldrond;
Haast wendt het zich tot God met hart en mond;
En waar men ooit de wildste volken vond,
Zal God ontvangen
Aanbidding, eer en dankb’re lofgezangen.
Want Hij regeert,
En zal Zijn almacht tonen;
Hij heerst, zover de blindste heid’nen wonen,
Tot Hem bekeerd.
Opdat Hij, onze God en Koning, alle eer zal ontvangen. Van mij, van jou, van vluchteling en vreemde. Doe je mee?